NOODLOT, KOM, IK TART UW HART

Noodlot, kom, ik tart uw haat.

Die zich van zichzelf ontriefde
en zijn leven voor zijn liefde
moedig laat,
die zijn avond en zijn morgen
in haar schoonheid weet geborgen,
vreest geen slagen die gij slaat.

Noodlot, kom, ik tart uw haat.



29 Nagelaten Gedichten, Amsterdam (G. Van Soest) 1937, 95 p.