WIE DAAR HOUDT VAN STADSGEWEMEL.

Wie daar houdt van stadsgewemel
loopt in 't blakke veld verloren,
ruikt geen bloempje, kent geen heester,
hoort geen vogel goed.
Wie daar houdt van stadsgewemel,
noch de populier ten hemel,
noch de schelf, dat huis van koren,
noch de hengst, der weide meester,
sterken zijn gemoed.
Of met vuur en kleurgesprenkel,
herfst het landschap op doet gloren,
onder goud tot aan den enkel
loodt zijn loome voet.

Gij dan, die tot kwaad bekwamer,
no˘ naar vrome liedren luistert -
zie, de zon al grootgeduisterd
laat den avond over 't land -
wuftling, blijf op uwe kamer
achter roode rolgordijnen,
waar de fletsche lampen schijnen
en de kachel brandt.



60 Uit de diepten, Amsterdam (S.L Van Looy) 1911, 85 p.
89 Het beste uit de gedichten van De Clercq, Zeist 1932, 196 p.
103 RenÚ De Clercq. Liederen, leeft! Sint-Niklaas 1977, 202 p.