VERGEEF.

Mijn hooge vrouw, vergeef.
Vergeef dat ik mijn zware dagen
Niet onvernederd heb gedragen,
En van uw grootheid verre bleef.

Bij al mijn smart, vergeef,
Dat ik mijn kommer, angst en zorgen
Niet in mijn binnenst hield geborgen,
En droeven me tot wanhoop dreef.

Maar bovenal vergeef
Dat ik mij leiden laat en troosten;
Nog uchtends zoek en zon in 't oosten,
Dat ik nog lach, nog lijd, en leef.



42 Uit de diepten, Amsterdam (S.L Van Looy) 1911, 85 p.