NA NACHTELIJKEN REGEN TINTELEN DE BOOMEN

Na nachtelijken regen tintelen de boomen
in helder morgenlicht.
Nu moest mijn uitgelezene tot mij komen.
Hoe zou de schaduw bloeien om haar aangezicht!
En hoe de vogelen slaan in 't waterblank gebladert!
Hoe trotsch mijn harte zijn!
Doch hoor, daar is mijn uitgelezene. Zie, zij nadert,
en vor haar voeten krijgt de schaduw rozigen schijn.



107 Het boek der liefde, Amsterdam (J.M. Meulenhoff) 1921, 269 p.