LENTEREGEN.

Slagwater plast de regen.
De zonne scheurt de lucht
en teekent op de wegen
haar tooverende vlucht.

Het giet, het giet gestadig!
Geen losse droppels meer;
maar vast en ijzerdradig
rechtreesemend en zeer.

Het ruischt en kruist en dwerelt,
het spokt en spat uiteen.
Witschuim komt opgepereld
en perelt weer verscheÍn.

Al schubbe, al schubbe en schilfer,
met kleuren duizendvoud.
Mijn zole druipt van zilver,
mijn oog is blind van goud.

Kijk! wolken in de plassen,
geschelfd, geschipt, geschaapt;
en hemels, die verrassen
met blauw, dat donker gaapt.

Het is of met de vlage
de lucht aan flarden vloog:
een grijsdoek zakt omlage,
een blauwdoek trekt omhoog.

Het grijze krimpt alsan en
daar wordt nu met geweld,
een speierboog gespannen
totdat hij springt en smelt.

Al matter en al minder.
In tweeŽn valt de rond.
De stukken zitten ginder
te gloeien in den grond.

Het blauwe spreidt zich open
oneindig, klaar en diep.
De zonne schudt, en dropen
die peerlen uit dien iep?

De wolken staan geheuveld,
heel ver, lijk stapels wol,
geplukt en uitgestreuveld,
al barmenwijze en bol.

En al de zwarte boomen
wit-druipen van het vocht;
en al de wateren stroomen
naar beek en bekebocht.

De hallemkes omhelzen
elkaar in zwaren zwijm;
en op den bast der elzen
blinkblankt een lage lijm.

Ei, ziet die bonte duiven
wegtuimlen door het licht!
Ei, voelt die winden wuiven!
Dien gloed in uw gezicht!

O Lente, o zon, o regen!
O licht- en luchtgeweld!
Er waait een sterke zegen
gevleugeld over 't veld!



10 Gedichten, Amsterdam (S.L. Van Looy) 1907, 224 p.
12 Gedichten, tweede vermeerderde druk, Amsterdam 1911, 242 p.
14 Gedichten, derde vermeerderde druk, Amsterdam 1918, 305 p.
15 Het beste uit de gedichten van De Clercq, Zeist 1932, 196 p.
19 Renť De Clercq. Liederen, leeft! Sint-Niklaas 1977, 202 p.