LEEDSKELK, DIEN IK TEN BODEM DRONK

Leedskelk, dien ik ten bodem dronk,
angstuur dat ik behoefde,
gezegend Wie u overschonk,
mijn hart tot heil beproefde.

Toen menigeen mij dood en haat
was éene al liefde en leven;
toen menigeen mij schimp en smaad
heeft zij de zon gegeven.

Geen mensch en kent Gods oogenblik,
zijn vreugd door smart gezonden.
In lange ballingschap heb ik
mijn vaderland gevonden.



85 Meidoorn, Amsterdam-Tielt (L.J. Veen - J. Lannoo) 1925, 91 p.