KLOP NIET, MET HARDEN SLAG, DE KLOKKEN

Klop niet, met harden slag, de klokken
van mijn ziel,
het duister brons.
Eer kunst, om zuiveren klank, iets schoons verniel',
verwek geen schokken,
geen trilling tusschen ons.
Klop niet, beuk niet, met harde slagen.
De klokken barsten vor ze klagen.



17 Het boek der liefde, Amsterdam (J.M. Meulenhoff) 1921, 269 p.