IK HUIVERDE OP UW ADEM

Ik huiverde op uw adem
en de zoetheid van den nacht.
Uw hand lag op mijn hoofd.
Mijn tranen waren zwaar en blauw
gelijk de dauw.

Ik huiverde op uw adem.
Uw hand lag op mijn hoofd.
Toen heb ik in de koorts van ons geluk gesproken:
"Schouw in mijn ziel; daar is een bloem ontloken."
Gij hebt gezien, gij hebt geloofd.

Ik huiverde op uw adem
in de zoetheid van den nacht.
Mijn harte was gebroken.
O wondere vreugd, die mij door tranen
vor Gods spiegelen bracht!



231 Het boek der liefde, Amsterdam (J.M. Meulenhoff) 1921, 269 p.
158 Het beste uit de gedichten van De Clercq, Zeist 1932, 196 p.