HIJ HAD MAAR EENS BEMIND.

Lang streed hier met den Zwijger
Te water en te land,
Een onbekende krijger
Met stalen hart en hand.

Te peerd een breede ruiter,
Te voet een hooge reus;
De koninklijkste muiter,
En de adellijkste geus.

Hij had noch huis noch have,
Hij had noch vrouw noch kind;
Hij had geen lief, de brave,
Hij had maar eens bemind.


Zijn degen gold er honderd,
Ja duizend in den strijd;
Als hij kwam aangedonderd
Werd Alva bleek van spijt.

Geen vijand zou hij tergen,
Noch minder maakt' hij buit.
Hij rukte de eerste in Bergen
En trok de laatste, er uit.

Den dapp're dien hij kwetste
Verzorgd' hij als een vrind;
Nooit loog hij, zwoer noch zwetste...
Hij had maar eens bemind.


Geen mindre zou hij kwellen
Van zeden was hij rein;
Hem noemden zijn gezellen:
Den goeden kapitein.

Met zijne makkers klonk hij,
Den avond voor den slag;
Een vollen beker dronk hij,
En lachte een vollen lach.

En op het slagveld, vocht hij
Blijmoedig, roekloos, blind;
Den dood der helden zocht hij...
Hij had maar eens bemind.


Soms werd hij droef te moede
En vluchtte lach en zang.
Men zei: "Hij treurt de goede."
Zoo treurd' hij dagen lang.

Hij droomde droeve droomen,
En trachtte alleen te zijn;
En klaagde aan de oude boomen
Zijn oude hartepijn

In 't mos zett' hij zich neder
En weende lijk een kind;
En dacht... en weende weder,...
Hij had maar eens bemind.


Men sloeg te Mookerheide
Den vreeselijken slag,
En de onbekende zeide:
"Dit is mijn laatste dag."

-"Nog zijn we niet verwonnen!"
Riep Hendrik. Doch, heel droef:
-"Rood rees hier ook de zonne
Toen ik mijn lief begroef!

"Haar doodde een man uit Spanje,
De man uit Spanje wint!"
En luid dan: Volg me, Oranje!...
Hij had maar eens bemind.


Dan vocht de trouwe minnaar
Een razende gelijk...
En 's nachts vond de overwinnaar
Op duizend don, zijn lijk.

De maan, de weenensroode,
Keek door de wolken uit...
Zij dansten om den doode
En juichten lang en luid.

Hij had noch huis noch have,
Hij had noch vrouw noch kind;
Hij had geen lief, de brave,
Hij had maar eens bemind.



101 Echo's, Gent (A. Siffer) 1900, 131 p.