HET HAANTJE VAN DE TOREN.

Wel haantje, wel haantje, wat praalt gij preusch
Op uwen hoogen toren.
Gij waant u voorzeker, der haanen reus
In hooger lucht geboren.
Als 's morgens uw broeders, hier op de grond
U lustig tegen kraaien.
Gij blikt eens verwonderd en fier in 't rond
En blijft zoo spottend draaien.
Al ziet gij de zon, en ontwaert gij haar hier
Eer de haan der aarde.
Gij wilt haar niet groeten en acht ze
Beneden uwe waarde.

Wel haantje, wel haantje, wat praalt ge preusch,
En salueert de winden,
Een juffer gelijkend die, hupsch en heusch,
Wat aantrek zoekt te vinden.
Het Oosten en 't Noorden beziet ge koud
Droogweg en ongenegen;
Bij 't Westen gij nauw eenen traan weerhoudt;
En 't Zuiden lacht ge tegen.
Doch kunt gij u zelven, dus vraag ik u,
Zoo weg en weder wenden?
Of zijn het de winden die, mo van u,
U heen en elders zenden?

Wel haantje, wel haantje, wat praalt gij preusch,
En toch gij hebt geen sporen;
En, mag ik het zeggen, gij zijt een geus,
Al zit gij op den toren.
Gij ziet hoe zij allen ter kerke gaan,
De brave buitenmenschen;
En 'k peis ik, ge zijt ze maar altijd aan
't Bespotten en verwenschen.
Gij zijt daar wel dicht bij de kerk, 't is waar,
En hoort er missen en metten,
Doch nimmer zag men er u, Canteklaar
Een voetje binnenzetten.

Wel haantje, wel haantje, wat praalt ge preusch!
Uw waan is niet te loven.
Te veel, ja, te veel zet gij u op den neus,
Al zit gij daar, van boven.
Ge zijt van diegenen die niets en doen,
En anderen bespotten;
Gij zit daar te prijken voor het fatsoen,
En draait lijk alle zotten.
Wij hebben uw toeren, o dwaze kwast
Reeds lang genoeg geleden.
O, kon ik u grijpen ik greep u vast
En smeet u naar beneden.



Collegie, Thielt, 1896.
gepubliceerd in Rodenbachsvrienden 1899, blz 95