'K ZAL WEL.

'k Hoor ze zeggen: bezing den buiten,
laat de flinke merel fluiten,
laat de groene korens ruischen,
en den hagel, den hagel buischen,
'k Zal wel, 'k zal...
Doch mijn lieveken gaat vooral.

'k Hoor ze zeggen: de velden bloeien,
al de rozenhertjes gloeien,
en het blauwe vergeetmijnietje
wacht nog op een liefdeliedje.
'k Zal wel, 'k zal,
Doch mijn lieveken gaat vooral.

'k Hoor ze zeggen: help ons oogsten,
zingend koren en kussen oogsten,
Bindsterkens met arenkransen
roepen naar u om me te dansen
'k Zal wel, 'k zal...
Doch mijn lieveken gaat vooral.



16 Liederen voor 't Volk, Maldegem (V. Delille) 1903, 143 p.
12 Uit zonnige jeugd, Amsterdam z.j. (1916), 75 p.
124 Gedichten, derde vermeerderde druk, Amsterdam 1918, 305 p.