LAPPER KRISPIJN

LAPPER KRISPIJN.

De schoentjes gaan er met paren,
en jammer, de mensen ook.
't Verstand komt niet vr de jaren.
De liefde? Wat vuur en wat rook!
Ach! wisten 't de vliegende gaaien,
ze werden 't vrij leven niet moe.
Ik zitte mijn schoentje te naaien,
en trekke mijn draadje toe.

Hoe groeide uit dat lustige Grietje
die knorrige, dolle katijf?
Een lief als een hemelbietje,
en nu zo een duivelig wijf!
Vandaag al de winden aan 't waaien;
en morgen noch ba, noch boe.
Ik zitte mijn schoentje te naaien,
en trekke mijn draadje toe.

Wat heb-je aan die pinten, die pijpen?
Neem liever een druppel, een dop!
Ei, moet-je dat elsen weer slijpen?
Jees-Christus, wat eeuwig geklop!
Ik mag me noch roeren noch draaien.
't Is al verkeerd wat ik doe.
Ik zitte mijn schoentje te naaien,
en trekke mijn draadje toe.

Nu zit ze de passie te preken,
bij Anneken van den gebuur.
En, lapper, geen woordje te spreken,
is 't eten te zout of te zuur.
Straks komt ze mij kozen en aaien,
of zoeken naar bezem of ro.
Ik zitte mijn schoentje te naaien,
en trekke mijn draadje toe.

Weet iemand - daar valt mij alweder
dat schoenmakersraadselken in -
't verschil tussen wijven en leder?
Voor mij is het klaar gelijk tin.
De wijven zijn vellen van haaien,
en leder is vel van de koe.
Ik zitte mijn schoentje te naaien,
en trekke mijn draadje toe.