Nieuwe pagina 0

NIET VAN GENADE SPREEKT

AAN VLAANDERENS VIJANDEN

AAN ALBERT VAN KOBURG, ELISABETH VAN BEIEREN,
EN ANDERE VIJANDEN VAN HET VLAAMSCHE VOLK

Niet van genade spreekt noch kwijt te schelden,
Als droegt gij uw geweten hoog en zuiver.
Wat gij misdreven hebt zult gij ontgelden,
Uw schuld betalen tot den laatsten stuiver.

Die Vlaandren afstiet met uw beide handen,
Met beide handen waarheid poogt te worgen,
In rug en bloed zal ik uw schande branden.
Voor verder straffen mag uw leven zorgen.

Was niet de Vlaming edel, kunstverstandig,
Dat eeuwen vol bewondring hem aanschouwden?
In gansch Europa leeft geen volk zoo schandig
Onwetend, zoo ellendig laag gehouden.

In gansch Europa liegt geen luider leugen;
In gansch Europa staan geen armer slaven.
Wie in geen droppel van zijn bloed kon deugen
Hem voegt het best der Belgen staat te staven.

'k Zie immer kruipen daar en hoofden hangen;
Daar is geen adem meer voor rechte borsten;
Geen vrijman leeft er of hij leeft gevangen,
En die hun stam verloochnen zijn er vorsten.

Gelijk de koning zoo des konings knechten!
Of zij den tabberd dragen of den mijter,
Of zij met 't kruis of met den degen vechten,
Zij zijn ons vreemd.... Het vreemde alleen gedijt er.

En die het volk ontvoogden moesten, moesten,
Dewijl hun mond zoo vol was van zijn liefde,
Die hielpen mee den Vlaamschen aard verwoesten,
En vroegen Frankrijk of 't nog meer beliefde.

Wel past het hof, dat hunne lafheid loonde,
De lof van dichters uit ivoren torens.
De trots dier bend, die andere benden hoonde,
Is leeg als trots van korlenlooze korens.

Ik ook had rood geloof; dat is vervlogen.
Ik ook had roode hoop; die is vernederd.
Wij zijn belogen, Volk, wij zijn bedrogen!
Al mijne liefde gaat naar Vlaandren sedert.

Ik wensch niet tot een land terug te keeren,
Waarnaar ik nimmer, nimmer heimwee voelde.
Ik ken de knechten daar, ik ken de heeren,
En haat hen met een haat die nooit verkoelde.

Zooveel wat duurbaar scheen verloor zijn waarde.
Doch heerlijk blijft de strijd dien smart verreinde.
Al wordt mijn hart nooit aarde van uw aarde,
Het slaat voor u, mijn Vlaanderen, tot het einde.



119 De Noodhoorn. Vierde uitgave, Amsterdam 1932, 160 p.
101 De Noodhoorns uitgegeven in 1940, 1943 en 1975, 186 p.