Nieuwe pagina 0

EEN LACH DER SCHEPPING.

Op weg naar schole, bleef ik aan
Der Leye breede brugge staan,
Halfdroomend, schoon ontwaakt, te dralen!
De schepping rustte op hare luit,
En wierp haar' morgenmantel uit
Door regendrop en zonnestralen.

De Ley lag daar, breed en lang,
Onafgeziene wilde slang
Die slingrende in het veld zich rekte,
En die, van weerzij van de brug,
Nu groen en dan weer geel van rug,
Betooverende blonk en blekte!

Druk regende 't. En elke drop -
Het licht der zonne scheen er op -
Was een dier wondere kristallen,
Die, oogverblindende van gloed,
Zich smolten in den Leyevloed,
Bij honderdduizend duizendtallen.

Zij vielen.... en ik zag een strijd,
Van kringetjes die, vol van nijd,
Elkaar die perelen betwistten;
En die, in't kampen nimmermoe,
Uit elke drop - ik weet niet hoe -
Een nieuw ontstaan te vinden wisten.

Meer stadwaarts, lagen drij of vier
Geladen schepen ter rivier,
Die zuchtten onder hunne lasten;
Zij spiegelden zich in het vocht,
Zoodat het dek omhoog gerocht
En rustte op zijne dunne masten.

En dan ten hemel, wat tooneel!
Wat tinten overdekten, heel
Het doek der wijdontspannen luchten,
Waar vrouw Natuur, uit tijdverdrijf,
Veel rasser dan ik 't nederschrijf,
Haar meesterhand liet overvluchten!

Hier blonk de zon in zuiver blauw;
Daar kwamen wolken zwart en grauw
Als torens in de lucht gestegen;
Terwijl er vlokjes van satijn -
Het konden 's hemels vlinders zijn -
Aan 't vluchten gingen, heel verlegen.

Een regenboog, onmeetbaar groot,
Deels heldergroen, deels purperrood,
Was in het Westen opgerezen;
En stond daar, helft van eene rond,
Wier doorsneź gansch de vlakke grond,
Wier midden de rivier moest wezen.

Was het brugge, licht en luw,
Waarop er geesten, menschenschuw,
Het water ijlings oversnelden?
Ofwel een grootsche zegeboog,
Waaronder trotsch de Leye toog,
Verwinster van de loome velden?

Ik weet het niet! Het landschap, dat
Ik vroeger nooit bewonderd had,
Schoon ik het daaglijks mocht aanschouwen,
Trok nu mijne aandacht meer en meer;
Alsof het voor den eersten keer
Al zijne schoonheid had ontvouwen.

Ik zag de stad in 't morgenlicht;
Zij was ontwaakt, en ging wellicht
Zich spieglen in de lucht daar hooge!
Ik zag de torens, scherp van punt;
De kaven rond en onverdund,
En d' huizen scheemrend voor mijn ooge.

Ik zag en weide en vlaskapel;
Het veld vol ruischend korenspel,
Het boschjen in zijn feestsieraden;
En dacht zooals ik nimmer plag:
De schepping had in eenen lach
Hare al te dartle vreugd verraden!



47-49 Gedichten, Kortrijk (Jules Vermaut) 1896, 67 p.