Nieuwe pagina 0

DOEMSDAG

Dit is der tijden laatste en ook der tijden eerste,
Ik zag den grooten dag in 't groot Jeruzalem,
Den sterken Antichrist, die over 't aardrijk heerschte,
En gansch het menschdom luid in jubeltocht voor hem.
Uit purpren overmoed de menigte overstarend,
Die als een waatrenvreugd aan zijne voeten viel,
Voerd' hij ten wenkbrauwboog de vleugels van den arend,
Den hemel in zijn blik, den afgrond in zijn ziel,
En met haar lach-gelaat, doorvlamd van roode zijde,
De hoer van Babylon aan zijne zonnezijde.

Pal rezen om zijn troon de hoogstbeschaafde wilden
Met moordtuig waar de geest uit glom van ieder eeuw.
Den roest'gen stapel der gebroken wapenschilden
Dekte zijn beukelaar met den levenden Leeuw.
Duikend bij 't eigen slecht, al 't slechte van hun natie
Achter het masker van een vroolijk aangezicht,
Vol lust in hoovaardij en ijdelheid en gracie.
Droeg al het hof van trap tot trap een grijns in 't licht,
Zoodat om 't wulpsch gedrang der mannen en der vrouwen
Een valsche schoonheid krielde en pijn deed in 't aanschouwen.

Waar ook mijn oogen door het zonnebliksmen keken,
De hoofden over groeide, in goudig nevelwaas,
De marktplaats mede met de lucht. Wijd open weken
De muren, latend aan het woelig feestgeraas
Een onafzienbaar veld. Kanttorens, gevels, hoeken
En daken schenen op te schomlen om het plein
Vol wagens, kramerij, speelmolens, tentendoeken,
En golf na golving steeds maar menschen, kinderklein
Voor wie met ťenen blik de massa's overstaarde
En wist in de ťene stad de burgerij van Aarde.

Lieden uit elken stand en onder alle hemelen
Geboren, zag ik ver en bij, in bont gedrang,
Bij hoopen samenslaan of door malkander wemelen.
Ten Keizersdag vergaard en wereldommegang,
Los, lieten zij hun lust naar vreugden vrijen teugel,
Aten en zaten dicht voor kroeg en winkelhuis,
Schonken dronken als op een doek van meester Breugel
Uit Vlaand'ren, waar de maag gezond, de deerne struisch,
De wilde forsche boert meer voor dan achter 't scherm is,
En lange tafelen opklinken op 't lied van kermis.

Beneen den kleurenval der wimpels en festoenen
Van allerhand gebloemte en groen aan staak en poort,
Vernam ik grof gelach, gesmak van malsche zoenen,
Vuistslagen op den disch en dolgeweldig woord.
Een dienstmeid droeg een kruik, een knaap een schuine kartel.
Violen gingen en de doedels zwollen dik.
Dansventen deden woest, dansdeernen deden dartel,
Kromme ouden persten vuur nog uit een grauwen blik,
En bij het tuimlen en het vechten van de paren
Vlogen de kleeren op en open met de haren.

Steeds wilder klonken schijf en schuifbazuin. De hansworst,
Kwinkslagen slaande, sprong met bokkig mal gebaar.
De meid, die moedernaakt te wervlen in den dans dorst,
Bracht in zijn roode kleur, getemperd hier en daar
Door 't grillig schaduwspel der losgezwierde lokken,
Gelijk een rijpe vrucht haar geile vleesch te koop;
En wijven, welk van borst, met wenken en met jokken,
Beheksten jong en oud, niet anders dan een hoop
Te kooi gehouden heet ineengehurkte simmen
Met week en leep gegluur haar mannen tegengrimmen.

De menschen op de straat en ginder voor de tenten
Kregen iets aaklig vreemds, iets dierlijk dols om zich:
Het zwaaien van den aap, het slingren der serpenten,
De horens van de geit, de scherpe snuit der big.
Maar 't schitterde al, gelijk, met rijke rotte kleuren,
Steenolie drijft ter gracht, giftzwammen staan in zon,
Wuft spel waar 't schoone stierf met plotselinge scheuren
Als in de monsterhuid van den kameleon.
En niemand, scheen het, rook den reuk om bij te walgen
Van brand en kerkerlucht, schavotten, lijken, galgen.

Toen schoof er voor de zon een schaduw, die den luister
Van 't licht benemend, niet de minste koelte bood.
't Gejoel verdoofde allengs. Er waaide een naar gefluister.
De zon zag donker en de schaduw kleurde rood.
Dat duurde maar een stond. In rijke sluiers zegen
De roode wolken weg. Dan scheen het zuiverst blauw
Weer bloot; en overal ontstond een sterk bewegen
Zoo bij de troonwacht, bij de wandlaars, als in 't grauw.
Zwart helden van het volk de vensters en de daken.
De zware massa scheurde om ruime baan te maken.

Gelijk een stroom door zee, gescheiden, schoon vereenigd,
Wijl stroom en zee haar baarslag slaan in andren zin,
Zoo worstelde over 't plein en stuwde door de menigt
Het wilde wezen van den ommegang, waarin
De menschheid, komend uit de vroegste erinneringen
Tot op den laatsten dag, heenruischte met een vloed
Van zonderling gedierte en nare wonderdingen.
En zekerheid kon ik niet hebben of de stoet,
Die nu eens statig stapte en dan weer woelig stormde,
Geschikt was naar een plan of bont zijn eigen vormde.

Daar gingen met een tak rijpe appelen in de blaren
De menschgod Adam en zijn gade, sterk en schoon,
Dragend om 't gulden lijf geen ander kleed dan haren,
En achter hen, een klare en dan een donkere zoon.
Dan volgden duizend en nog duizend. Uit het stroomen
Der massa's schietend als uit waaiend struikgewas
De stoute stammenzwier der boschgeboren boomen,
Zoo snelde, schroombaar woest van naakte kracht, doch ras
Als schaduwen voorbij, het roode, zwartgebaarde
Geslacht der Reuzen, dol op dochteren der aarde.

Te midden saters en bacchanten, wildgelokte,
Noach en Loth vol wijns strompelden naakt en oud.
Abram liet Hagar los, daar mooie Thamar lokte,
Mozes droeg streng de wet, Ašron droeg het goud.
Omringd van vrouwen en profeten, ijlden verder
Der vorsten velen in hun kroon doorglansd van bloed.
Voor David koning danste en speelde David herder.
Salomo hield zich vroom, doch toen daar schalk en zoet
Een vrouw in 't hooglied zong dat liefde boven wijsheid,
Lachmonkelde weer speelsch zijn jeugd door al zijn grijsheid.

Doorheen de rijen dier voortrukkende Hebreeuwen
Trok allerhande volk van allerhande kleur.
Krijgslied, klaaglied en psalm, doorgild van schrille schreeuwen
Weerklonken; kampgeschal opnieuw en nieuw getreur.
Doch altijd bovenaan de dolle tamboerijnen.
De fluit, de luit - muziek bedwelmend sterk en rood
Vol wilde rozengeur en geur van oude wijnen,
Goudlucht daar 't leven lacht en danst ten donkren dood,
Als zij, gestemd op al de stemmen des verleidens,
Aartsvaders dartel maakt en Jodenharten heidensch.

Gevangnen bukten thans, geboeid. Meteen verdoofden
De liedren. Scheurend vol misbaar haar kleeren, zag
Ik vrouwen asch en rouw aan 't strooien op haar hoofden;
Babel, in wijn en waan, hield feest en vloekgelag;
Tot PerziŽ, oud Egypte, ArabiŽ, door malkander,
Heel 't Oost, aan hoeren rijk en priesters, juichte en drong
Om 't steigrend schuwe paard van dronken Alexander.
Slavinnen zwierden na; een neger sloeg de gong.
Doch gelen droegen hoog een heilige in hun midden,
En deden niets dan gaan en bidden, gaan en bidden.

Nu schreden, heerlijk alle, in roze val van bloesemen,
De dochters uit het land der schoonheid, los van kleed,
De haren reegnend om den hoogen bloei der boezemen
En tot den zoen der zonde een mond ten mond gereed.
Bijwijlen echter leek hun schoon me koud als marmer,
Het scheen alsof ze staan en steenen zouden zijn.
Dan weder vloot rijk bloed de koude wezens warmer,
Sierlijk bewegen liep om elke vaste lijn,
En juist toen ik den naam der beelden dacht te noemen
Bogen ze lieflijk heen als fraaie menschenbloemen.

Weer stapte een wapenstoet en rederijke boden
Verkondden kamp en zege. 't Gaf een heerlijk zicht.
Maar wie de krijgers schiep, de helden en de goden,
Was blind en oud. Alleen zijn schedel straalde licht.
Reimaagden strekten, heel haar klare lijf aan 't zingen,
Tot kronen om zijn hoofd haar rozige armen uit;
Prachtkoren stegen en het koor der jongelingen,
Tokk'lend om prijs de lier, verwekte schoon geluid,
Tot kracht verzwakte, 't lied verviel, en 't spel der strophen
Verwarde in hard gekijf van scherpe philosophen.

Van mond tot mond verstierf hun twist tot dof gedommel.
Er groeide een groote stilte, een leegte als op de zee
Voor storm. Toen, plotseling, uit de verte klom getrommel;
Trompetten blonken en mijn oogen deden wee
Van staren op een muur van mannen en van paarden,
Die nader zwol met sterke en luide duidlijkheid
Van roode helm bij helm, van schilden, lansen, zwaarden,
TrofeeŽn, standaards; in een gloedgen, bloedgen tijd,
De zege van de kracht, het hooggetij van 't ijzer,
Het forsche Rome, zijn legioenen, en zijn keizer.

Doch al dit hel getrom, de schaatrende klaroenen,
De schitt'rende opmarsch van het weidsch en heerlijk heer,
De statige standaards en de hoofden der legioenen,
Het hof, de keizer zelf, dat alles leek niets meer
Dan prachtig machtvertoon van loutre uitwendigheden,
De bode en voorgang van iets groots dat komen moest.
En zie, daar kwam een man op barren voet getreden,
In kemelharen kleed. Zijn stem, opstekend woest,
Gelijk ter woestenij de bloote wind, deed huiveren:
"Hoort, hoort, wie na mij komt. Zijn dorschvloer zal hij zuiveren.

'k Vernam een lachen bij den troon en angstig wendde
Ik 't hoofd naar Antichrist. Die rees in nijdigen trots
En vorschend zocht of hij den Zachte niet herkende.
Maar wie hosanna zong den grooten Zone Gods,
Dat waren schaamte lui, de vrouwen, kindren, kranken,
En deze juichte: heil! en gene bad om heul.
Dan, hoon en wraakgeschreeuw bevocht de jubelklanken,
De hoogepriester gleed voorbij, daarna de beul.
Alleen den Eene, die zoo streng was voorgekondigd,
Zag Antichrist, noch ik, noch een die had gezondigd;

Die had gezondigd met zijn oogen en gedachten
Kon Hem niet zien, schoon elk een Man in lang wit kleed
En roode doornenkroon, in angstig staan, verwachtte.
Geen kon Hem zien, en toch, elk voelde, elk wist, Hij schreed
Te midden als de hoogste en Koning van de zielen.
En binnen mij ging klaar een rinklend belgeluid.
Ik voelde mij ineens neergaan als moest ik knielen.
Maar Antichrist keek star en trotsig voor zich uit.
Ginds in de verte werd, dat aller oogen 't zagen,
Een groot bloot boomenkruis hoog in den stoet gedragen.

En menschen stroomden bij tot scharen en nog scharen.
Zoowie een mantel droeg, zoowie een dierenhuid,
Romeinsche burgers en rosbaardige barbaren.
De volk'ren al van Noord en Oost, van West en Zuid,
Volgden den Boom der Smart, eerbiedig, opgetogen,
Met om het hart een vlam en op de lip een lied.
Tot in het teeken van den Christ veel vanen vlogen.
Toen kreeg het kruis den glans van goud, en langer niet
Een last ten rugge, werd, een schitterend aanschouwen,
Het praaljuweel ter borst van prinsen, priesters, vrouwen.

Hoeveel en wie ik zag van krijg- en vredestichters,
Van pausen met een zwaard en ketters met een boek,
Van hooge kunstenaars, geleerden, denkers, dichters,
Staat duister voor mijn geest, zoodat ik vruchtloos zoek.
Doch wie de menschen zelf tot eeuwig leven schiepen,
Faust, Hamlet, Prometheus, don Juan, don Quichot,
Ontwaar ik nog en zie hoe zij verloren liepen
In dwazen narrensleur, zichzelf tot hoon en spot.
Slechts PanÁa reed voldaan te ezel, en met Lamme
Lachte Uilespiegel, Thijl, de zoon van Claes uit Damme.

En 'k zag en ziet, daar kwam te midden van een bende
Spotlustige kinderen een man onzeglijk oud,
Zijn schrikk'lijk wezen droeg de sporen van ellende
Zoo schrijnend diep als ooit de wereld heeft aanschouwd.
Zijn armen stak hij voor zich uit, en met zijn oogen,
Beloopen van rood wee, en woest van haar en baard,
Zocht hij het einde, zocht om zoen en mededoogen
Den Kruisman, dien hij had verstooten en bezwaard
Met schimp. En 'k zag, en ziet, terwijl hij helde en huilde,
Danste de kinderbende en schold den slijkbevuilde.

Toen hoorde ik in de lucht geloei en snijdend janken.
Rukwind, in oost en west ontketend, hond op hond,
En dragend al 't geweld der zee in zijne flanken,
Vloog schielijk tegeneen, zoodat een hoos ontstond
En wervelde om de stad. Een heele straatmuur scheurde
Met dak en menschen weg. De bliksem sloeg in 't feest.
En zie, ter stonde dat de groote ramp gebeurde
Sprong in de richting van de zon een donker beest.
De hellepoorten, op haar harren, schudden, knarsten,
En de aarde beefde alsof haar harde korst zou barsten.

Wanneer de storm ophield van wentelen en woeden,
Zag ik de zon, hoogrood, gevormd gelijk een hart,
Heel langzaam, straal na straal, verduistren en verbloeden
Totdat zij op de lucht hing als een ledig zwart;
En toen de maan verdofd, niets dan een dun omlijnsel,
En duizend sterren als gestolde tranen aan
Den hemel stonden, en zij gaven licht noch schijnsel,
Toen zou de zon niet meer nachtzeegnend ondergaan,
Maar storten van omhoog gelijk een doode wonder
De dansende aarde langs ten luiden afgrond onder.

Maar andre zonnen, de een na de ander, kwamen dagen,
Vuurzuivre boden van een godbewogen Rijk.
Te midden bliksemklaarte en dolle donderslagen
Veel sterren naderden en groeiden zongelijk.
En zongelijk, wreed schoon, de sterrenschijven schoven
Met tegenstrijdig licht voor 't groendoorlaaid azuur;
En al de stad omlaag, te weerschijn van dien oven,
Stond in een gouden brand, stond in een ring van vuur,
En 'k wist ternauwernood, verblind door vlammenwiegling,
Wat sterker was van beide: of gloed of gloedweerspiegling.

Dan nogmaals slonk die pracht. De hemel, aan 't ververren,
Trok in een dieper blauw mijn blikken, en het was
Klaar nacht; een nacht vol kalmte en stilte en kleine sterren
Die vriendlijk pinkten uit een zee van puur schoon glas.
En zie, daar rees een Vrouw, bekleed met zonneharen,
De maan lag aan haar voet. Haar kroon was bejuweeld
Met twalef sterren, en, in pijn en nood van baren,
Riep zij, een moederzacht en wonderbaarlijk beeld
Dat meer dan schrikk'lijkheid de ziel met angst vervulde
En welk de leeuw van 't schild eenbaarlijk tegenbrulde.

Wanneer ik neerkeek naar den optocht en de tenten
Was 't wufte wezen uit: Geen bloemenaakte meid,
Geen schelle narrenkop, noch bontgeverfde venten.
Doodstilte heerschte en nare zware angstvalligheid.
En zie, profeten uit hun troebele troep aan 't worden!
De speellui wierpen strijk en trommeltuig op zij
Om zich een ruige koord met krucifiks te omgorden.
De hansworst reet zijn kraag en, pelgrim, droeg de pij;
En waar het gich'ren sneed van snollen en van danten
Klonk thans het schrikvermaan van strenge boetgezanten.

Woest in het vlamgeweld der toortsen die ze torsten
En zwaaiden, 't zij om voor te lichten, 't zij om brand
Te sling'ren, stonden zij met ruige bloote borsten
En roode koppen, daar de baarden tallenkant
Van stroomden in den wind; en hevig roepend, hieven
Hun handen boven 't volk en naar de wonderlucht,
Waar, voor het beeld der vrouw door raatlend bliksemklieven,
Veel slangen sloegen op een kronkelende vlucht;
En hunne stemmen, door de toortsen en de kruisen,
Stortten als waatren doen die van de rotsen bruisen.

"Wee, wee, Jeruzalem, gij die profeten steenigt
En kruisigt. Wee, wee, wee! De tijden zijn vervuld.
Boos volk, ten dag des toorns tot schandevreugd vereenigd,
De Heer breekt over u den staf van zijn geduld.
Wee, Keizer, wee de vrouw aan uwe zij gezeten.
Men oogst geen rotte vrucht, men werpt haar in het vuur.
Over uw hoofden komt het bloed van uw profeten.
Wee, wee, die aadmen in de schrikken van dit uur.
De wereldappel valt doorwormd en murw ten gronde.
De ziel der menschheid stikt in vuigen smook van zonde."

Dus somber zwollen, bij de schaduwtroeble vlammen,
Hun zware stemmen en de massa's huilden: "Wee!
Die ongereinigd staan in 't slijk waaruit we stammen
Wee over ons: 't land brandt, opziedend laait de zee!"
En de profeten: "Toont berouw, pleegt boete, boete.
Deemoedig smeekt den Zoon des Menschen om gena.
Valt Hem ten heuvel, waar hij voor u stierf, te voete,
Naar Golgotha, naar Christ, naar 't Kruis, naar Golgotha."
Toen kreet hun angst: "Heer, Heer, genadig, niet verbolgen!
Laat ons den harden weg, Zijn weg, gebroken, volgen."

Dat was een kermen, een gejaag en handenwringen,
Een slaan op 't voorhoofd en een kloppen op de borst.
Schreeuwen noodgalmden uit der wanhoop folteringen
Als nimmer honger heeft verwekt, noch felle dorst.
Mannen en vrouwen, met haar kindren op haar knieŽn,
Strekten hun armen op; terwijl, bij angstgeween,
Traagstaps, op zwaar gedreun van wilde litanieŽn,
Het einde van den stoet en al het volk meteen,
Gegrepen bij zijn schuld en schouders, werd veranderd
In donkren boetgang om des kruises rooden standerd.

Zoo weinig waren zij die ziende niet geloofden,
Dat elke deun en dans, dat alle lach en lied,
Als dartle hitten in een donker zwerk, verdoofden.
Geteekend met het vuur der schaduwen, waar 't gebied
Des levens stroomt in het gebied des doods, met duizend
En duizend duizend gedoemden, gingen zij,
Hun vrienden, vrouw en kroost, hun eigen zelf verguizend,
Roepende soms om straf, en meest om medelij.
Maar andren bleven stom en maakten noodgebaren
Als wie, ten grave ontsnapt, door menschen ommewaren.

Soms ging een stuwen door 't gedrang, een overrompelen,
Om, de eersten uit de zonde, elkander voor te zijn
Met voetval en berouw. Dan deed de wroeging strompelen,
De wanhoop wanken. Wars van schittering thans en schijn,
Na schaamle kleinen en verloren dwalende ouders,
Liep, naast een hoer in waanzin, Antichrist.
Met zijn gescheurde pracht afwaaiend van zijn schouders
En in zijn hand de kroon waar hij geen weg mee wist,
Zag ik hem driewerf op den steegen kruisweg vallen
En driewerf opstaan, den rampzaligste van allen.

Zwijmlende bladeren en bloemen aan 't verslensen
Gaan niet zoo gauw, noch zien zoo bloedloos moedloos mat,
Als die bij leven reeds gestorven arme menschen,
Welke, onder wonderen en teeknen, zonder schat
Of have, nutteloos bij dezen gang naar 't ende,
Heentrokken en mijn ziel bedroefden tot den dood
Om al dezelfde zonde en al dezelfde ellende.
Want elk die ging liet mij een deel van zijnen nood;
Veel lieden blijkbaar uit mijn land, en, tusschenbeide,
Een zacht oud wezen dat ik meende te onderscheiden.

En zie, heel vreemd komt daar, het hoofd licht omgebogen,
Al starend naar me toe, mijn schoone doode vrouw,
Haar ziel en mijn ziel draagt zij saam in dofblauwe oogen,
De linkerhand leidt met dezelfde liefde en trouw,
Onz' kinderen roosrood en klein als toen zij leefde.
Haar rechte wijst me stil mijn oude plaats naast haar.
Zoolang had ik haar niet gezien. Ik hijgde, beefde,
Van vreemde vreugde, ging en liep op haar gebaar.
De diepste tranen voelde ik naar mijn oogen spatten.
Omhelzen kon ik niet, alleen haar hand weer vatten.

Wij gingen, klommen, in den reuk der doode dingen,
Der arme vreugden, ach, der rijke smarten ook;
Maar nauw'lijks welden uit het hart herinneringen
Omhoog, of weder sloeg hun geuren neer als rook.
Ik hield haar hand zoo trouw, zoo trouw hield zij de mijne.
Dat ik niet spreken kon als ik te spreken placht,
Dat gaf mij wondre lust en tevens wondre pijne.
Hoe kon het dagen in mijn ziel bij zulken nacht?
Soms voelde ik in en om mij heen een vreemd gebeuren,
Als zou mijn hart van haar en aard van hemel scheuren.

In oorlogstijd heb ik den tocht der uitgewekenen
Gevolgd en meegemaakt. Maar heerlijkheid leek die
Bij dezen uitgang door het harde licht der teekenen,
Der eeuwen doodgang dien ik steeds voor oogen zie.
De straat groeide in de stad, de stad groeide in de vlakte;
Geen stand, geen houdbaarheid in ruimte noch in duur.
De heuvel rees berghoog, terwijl de stad laag zakte
En zonk ten afgrond in een donkre zee van vuur.
Het aardebeven voelde ik door mijn voeten zinderen,
En sloot om mij, omarmd, omarmend, vrouw en kinderen.

Een stem riep: Deus! en opeens de sterren sloegen
Met duizelig geweld naar 't midden bots te zaam.
En zij vereenden zich en vormden door hun voegen
Van vuur, in schrikkelijk schrift, de letteren van Gods naam.
Op aarde viel daaruit een zware zwavelregen.
Toen hoorde ik door het hol des heelals als een hoorn.
Er rees een schreeuw van angst de laaie hemelen tegen,
Want 't vuurgeworden Woord sprak luid in brand van toorn.
En wolk, en sneeuw, en stroom en elke vorm der wateren
Werd opgezogen tot de sterke sterrenkrateren.

En plots, wijl al 't gemuurte instortte en samendruiste,
Der moederaarde buik, pijnwringend, werd gescheurd;
Terwijl omhoog, loeiwild, geweldig waaien ruischte
Van boomen uitgerukt en op de lucht gesleurd;
Wijl menschen om ons heen neerschudden, vielen, lagen,
Vernietigd voor den slag van 't bliksemend oogenblik,
En op uithuilen en den kranken klank van klagen
Een leegte volgde, zwaar van schrik die wacht op schrik;
Terwijl ik, brandend op mijn doode vrouw gedrongen,
Haar killen adem zoog tot koelte voor mijn longen;

Verscheen ten godsberg, met mierdicht bekropen wanden,
Bij beurten zwart en grauw, bij beurten een vulkaan
Op laaien achtergrond en afgrond, hoog aan 't branden -
De vlammen bruisten uit een purperen oceaan -
Verscheen aan 't kruishout in ontzaggelijke stilte.
Die ondanks al 't geraas om zich een heiligen kring
Van zuiver huiveren trok en dooddoorstraalde kilte,
Gebogenhoofds verscheen en wit als marmer hing
Degene Dien wij in den stoet lang vruchteloos zochten,
Dien wij daar voelden en toch niet ontwaren mochten.

Matwit het lange lijf gestrekt in strakke lijnen,
De hooge handen en den een op d'anderen voet
Doorspijkerd; elke spier gespannen van de pijnen,
En op de linkerborst gestolde droppen bloed.
Indroef en stroef 't gelaat, de baard tot goud gevroren,
Waarin de wrange lip ter wrange lippe sloot;
Het strenge voorhoofd in een kroon van ruigte en doren,
En de oogen, onder scheel, nog dooder dan de dood,
Smartoogen, die de vreugd der aarde nooit begeerden
En tot haar schooner bron, gebroken, overkeerden.

En bij de bitterheid en strengten, wreedelijk stralend
Uit 't marmerwitte lijk van den Verhevene, dwars
Door ons en de anderen op den berg, nog ademhalend
Een stonde, in siddering en koortsig tandgeknars.
Om vreeselijke hitte en vreeselijker koude,
Scheen het de wanhoop toe alsof de strakke mond
Zich nimmer tot den troost der spraak bewegen zoude;
En 't branden van de lucht, en 't gloeien van den grond,
En de ademhonger in de kelen, 't jagen, hijgen,
Bleek op te houden voor het starre van dit zwijgen.

En ook de vlammenzee, laagzuchtende, bedaarde.
Er ging bijwijlen door den nacht een klare streep,
Die scheuren snijdend door de zware wolken, de aarde
Liet zien in 't rood gewaad der zuivering. Toen greep
Een hand mijn hand, en zie, ik rees en stond te midden
Veel menschen, naast mijn vrouw en kinderen. Wondereen
Voelde ik mijn ziel met elk dier zielen; en mijn bidden
Was voor mijzelven niet, noch voor ons volk alleen,
Want over duizenden en duizend duizendtallen
Strekten zijn armen uit met straf of zoen voor allen.

Aloveral in 't blauw der hemelen ontloken
De rozen van den dag. Geur waaide van de lucht.
De grauwe gruw verdween als nachtgeboren spoken
Voor uchtendvuur; en op het naar en zwaar gerucht
Volgde reinzilveren stilte, als toen de ruimten zwegen
Bij 't eerste wonderbaar opgaan der jonge zon,
Een stilte, die niet stond, maar leefde in schoon bewegen
Van 't Rijk dat duisterde naar 't Rijk dat klaar begon,
Zoodat met groote vrees en groote hoopgedachten
De menschen uit den tijd op 't woord van 't eeuwge wachtten.

En door een zang van licht, die van het oosten ruischte,
Rees met den dag de zon, bestreek den heuvelrand
En kuste, wonderbaar, het kruis van den Gekruiste
Met zachte zoenen weg; kuste van de eene hand
En de andre hand en door de saamgeklonken voeten
De zware spijkers uit. De voeten kwamen los.
Meteen begon de vrouw van 't wezen te verzoeten;
In de oogen leefde een blik, de wangen kleurde een blos;
En de oude druk op 't hoofd die 't langer niet kon houden,
Liet af, of plotseling de doornen bloeien zouden.

En zie, weer vloeiden thans de smartgewijde wonden,
De zon doortrilde 't lijf met eigen zonneziel.
En zoo nu de armen voort wijdvademend openstonden,
Het licht de schouders en het hoofd omving, zoo viel
Het weggekuste kruis als schaduw voor hem neder,
Een grauwe zegening om de scharen. Zachtjes toen
Bewoog de gouden baard, de lippen plooiden teeder,
Zijn oogen bloeiden op als bloemen in 't gezoen
Des frisschen uchtends, en uit damp van dauw geweven
Kwam rozig rond gewolk zijn voeten onderzweven.

Zoo trad hij, goudig schoon, ons tegen op de wolken
En scheen geen onderscheid te kennen tusschen mensch
En mensch, geen onderscheid, geen voorkeur onder volken,
Maar was al zoen en zon, een goddelijke Lens
Die stralend stralen trok. En in den stroom der zielen
Voer mijne ziel, gelijk een druppel in een drijf
Van heldere wateren, naar Hem toe. En geen vernielen
Was dat, noch ondergang: een scheiden uit het lijf
Om, bovenzinnelijk, reinwonniglijk verrezen,
Een deel te worden van het hoogste menschenwezen.

Ontdaan van vleesch en stof, het strijdig goede en kwade,
Gelouterd voelden wij ons stijgen in het licht,
Het eeuwig ruischende der godd'lijke genade,
En levend bij het hart en ziende door 't gezicht
Des Wonderbaren, die, uit donkere vreugd en weeŽn,
Ons nader voerde tot des levens ronde bron,
Vernamen wij geruisch van hooge stille zeeŽn
En zagen uit zijn ziel, een zuivere ziel van zon,
Daar zich de heimlijkheid der wereld openbaarde,
Een nieuwen hemel om een schooner nieuwer aarde.



43 Van aarde en hemel. Steun-uitgave, Amsterdam 1915, 67 p.
61 Van aarde en hemel, Amsterdam (S.L. Van Looy) 1924, 103 p.
61 Van aarde en hemel, Leiden (A.W. Sijthoff) 1928, 103 p.