Nieuwe pagina 0

DE ZEVENMIJLENLAARS

Klein BelgiŽ schiet zijn dwergenvoet
In een zevenmijlenlaars,
Zoodat het hollen en ijlen moet
En purper ziet en paars.

In het harde leder staan versmoord
Zijn magere been en bil.
Klein BelgiŽ moet met Frankrijk voort
Zoover als Frankrijk wil.

"In zevenmijlenlaarzenstap,
Marsch, marsch, als de bliksem vlug,
Op Limburg stoot, op Zeeland trap:
Ik steun u in den rug."

Klein BelgiŽ hijgt zijn laarzen na,
Benauwelijk gezwind,
En geen respijt en geen gena,
Al heeft het asem noch wind.

Het hijgt zijn laarzen na en neus,
Marsch, marsch, hierheen, daarheen,
En terdt den ouden Duitschen reus
Te Eupen op zijn teen.

Dwerg, met uw zevenmijlenlaars,
Die hola kent noch halt,
Gij zult, of de duvel houdt de kaars,
Marcheeren tot gij valt.



141 De Noodhoorn. Vierde uitgave, Amsterdam 1932, 160 p.
129 De Noodhoorns uitgegeven in 1940, 1943 en 1975, 186 p.