Nieuwe pagina 0

BERGE-KRUIS.

Mijne vrienden ALFONS SEVENS en OCTAAF DELPLANQUE opgedragen.

Ons volgde uit elke tent een licht geprevel,
Dat zachtjes aan ineensmolt en verging;
Droef lag het bosch en weende in nacht en nevel,
Wijl doodsche stilte om alle boomen hing.
Vaal, hier en daar, viel 't licht van een lantaren
Langsheen de beukenstammen op den grond;
Doch zwart de twijgen, zwart de dichte blaren,
Zwart, alles zwart, en treurig in het rond.
Wij gingen langzaam, langzaam, zonder spreken,
En amden in den zoeten woudenreuk,
En hoorden hoe, in lang en lijzig leken,
De mistdrop zijpelde uit den hoogen beuk.
Wij gingen, en mij docht wij gingen achter
Een lijk, zoo langzaam gingen wij en stom;
In 't mos stierf onze voettred immer zachter,
Als op het vloerkleed van een heiligdom.

Plots stonden we als door vrees teruggehoun:
Hoog vr ons rees een houten Christusbeeld;
En ringsom baden mannen, baden vrouwen,
Gebogen, en door toortsenlicht omspeeld.
Zij hoorden noch zij zagen ons, maar zaten
Als don, op bank en stoel, in mos en gras;
Zij zwegen, weenden, baden en vergaten
Dat buiten hen nog iets ter wereld was.
Staagstuipend stapten bleeke jongelingen
In engen kring om 't kruis; geen enkel dorst
Omhoog zien, allen boetten stom, en gingen
Met hangend hoofd, al kloppend op hun borst.
Nog droever scheen de Christus me in hun midden,
Nog smartender verrees het stil geween;
Mijn vrienden zaten op een bank te bidden;
Ik stond naast hen, in al dat volk alleen.

lk sloeg een langen blik vol diepen deemoed,
Op den Gekruiste die daar stierf voor mij.
Mijn ziel smolt weg in eindeloozen weemoed
En Hij alleen had mijn gedachte, Hij.
Daar hing Hij, bleek aan 't zware kruis geklonken,
Met grove nagelen door hand en voet;
Het edel hoofd op de eedle borst gezonken,
En op zijn wangen, op zijn schouders, bloed.
Hoe stak Hij wijd zijne uitgerokkene armen
Naar 't menschdom uit, dat Hem veracht en tart.
Hoe bad zijn oog om deernis en erbarmen,
En klaagde aan de aarde bovenaardsche smart...
Lang stond ik zoo, en keek, en dacht en droomde,
Totdat de rilling die men in een doodenhuis
Gevoelt, mij ijskoud door het lichaam stroomde.
Ik nam mijn hoed af, en ik sloeg een kruis.

Nu rees een vrouwenstem, die zong en zuchtte
Heel traag, heel treurig, heimnisvol en diep,
Een zuivre zang die met een ziele vluchtte
En andre zielen me ten hemel riep.
Hoe klom en viel, hoe treurde, trilde en beefde
Die wonderbare weemoedszware stem;
Deborah's geest die over puinen zweefde
En weende om 't vallen van Jeruzalem.
Nog eenmaal rees de stroof en viel dan, zwijgend;
Een vrouwenkoor herhaalde 't vroom refrein,
Dat boeiend steeg, licht-bevend, smachtend, hijgend,
De duistere aarde ontvliedend, hemelrein.
Droef als de klacht van kinderen die zwerven,
Ging 't lied zoo voort, eentonig, klaar en zacht,
En daalde, daalde, om langzaam uit te sterven
En bleef dan hangen in den hollen nacht.

En al met eens, daar viel nu uit de boomen
Het hooglied van den hellen nachtegaal;
Eerst, drop op drop, bij stralen dan en stroomen,
Als water in een rinkenden bokaal
Het ruischte dat de kruinen rings weerklonken!
Het werd een vuurgloed, waar de wind in fluit;
Ontspatte in duizend hooggeworpen vonken,
En zaaide regenende al zijn spranken uit.
Een harpgetokkel dan, een glazen triller,
Een snakken lijk naar adem, en dan weer
Een angstig slaan, en immer stiller, stiller,
Als zijpte 't met den mist de boomen neer.
Nog zweeg hij niet, maar zong en floot en kweelde,
Betooverend, den lievelangen nacht;
Luidjub'lende om zijn liefde en liefdeweelde,
Stilklagende zijn klare liefdeklacht.

De morgen kwam: de boomen werden blauwer,
De nevel vormde een breede grijze kring,
En 't licht der toortsen week, allengskens flauwer,
Voor 't worden van de witte schemering.
Nog eenmaal lieten wij onz' blikken dwalen
Om 't bleekend volk rondom het kruis vereend;
En, opstaand, dorsten wij weer adem halen,
Verlicht, getroost, gelukkig, uitgeweend!
Dan gingen wij, en peinsden, droomden, zwegen,
En wandelden weer langzaam over 't mos,
Waar neveldroppen zacht op nederzegen,
Terwijl het opklaarde in het beukenbosch.
Zoo waren wij den aardweg traag genaderd...
Uit alle tenten steeg een dof geruisch;
En achter ons, verdween in 't grijs gebladert,
Het oude Christusbeeld van Berge-Kruis.



116 Echo's, Gent (A. Siffer) 1900, 131 p.